Museum Geelvinck | Henry Hudson | Links | Home  
 
  Henry Hudson


Hoewel eerder pogingen om het Verre Oosten te bereiken via een noordelijke route mislukt waren, werd op 8 januari 1609 een overeenkomst tussen de Amsterdamse Kamer van de Verenigd Oost-Indische Compagnie (VOC) en de Engelse avonturier Henry Hudson getekend om opnieuw te trachten een goed bevaarbare route te vinden.

Henry Hudson was in 1607 reeds in Spitsbergen geweest en had een jaar later zelfs tot Nova Zembla gevaren. Hij werd voor deze opdracht verkozen op voorspraak van de invloedrijke Antwerpse financier en historicus Emanuel van Meteren, die als honorair consul van de Nederlanden te Londen fungeerde.

De Staten-Generaal hadden een vergoeding van 25.000 gulden uitgeloofd voor de ontdekker van een noordoostelijke passage. Hudson moest volgens zijn contract benoorden Nova Zembla een oostelijke doorvaart zoeken, maar hij geloofde zelf meer in een westelijke doorvaartroute. öer Eilanden richting het huidige Newfoundland, dat hij 8 juli bereikte. Vandaar voer hij zuidelijk naar Nova Scotia, dat op 12 juli 1609 in zicht kwam.

Op 18 juli landde hij bij het huidige George's Harbour (Main), waar hij ruilhandel dreef met de lokale indianen. Na enkele schermutselingen vertrok hij weer op 26 juli en voer naar het Zuiden. Op 3 juli passeerde hij Cape Cod en ontweek de Engelse nederzettingen, zoals James Town, waarschijnlijk om problemen te voorkomen.

Op 19 augustus draaide hij de steven opnieuw naar het noorden, waarschijnlijk ongeveer bij het huidige Machipongo Inlet. Op 28 augustus voer De Halve Maen langs Cape Henlopen, de huidige Delaware Bay, in; zonder veel geluk. Een dag later voer Hudson door, om via Sandy Hook uiteindelijk op 3 september langs Staten Island (voorheen Staaten Eylandt, vernoemd naar de Staten-Generaal) de mond van de huidige Hudson Rivier op te varen. In de daarop volgende dagen had hij regelmatig contact met de lokale indianen.

Op 19 september bereikte hij het huidige Albany. Na nog enkele dagen getracht te hebben verder de rivier op te komen, kwam Hudson tot de conclusie dat de rivier te ondiep werd. De Halve Maen liep verschillende malen op zandbanken vast en op 22 september besloot Hudson de rivier weer af te zakken. Zij waren toen 240 km. de huidige Hudson Rivier – door de indianen 'Moehheakoennoek' of 'grote waters, constant in beweging' genoemd – opgevaren.

Op 2 oktober naderde De Halve Maen Manna-hata (eiland met veel heuvels in de taal van de lokale Lenape indianen; het huidige Manhattan) en waren er schermutselingen met de lokale indianen. Twee dagen later bereikt De Halve Maen de mond van de Hudson Rivier en voer terug naar Europa.

Op 7 november landde De Halve Maen in Dartmouth, in plaats van terug te keren naar Amsterdam. Hudson werd in Engeland onder huisarrest geplaatst en gezien als een verrader. De Halve Maen werd in Darmouth aan de ketting gelegd.

Echter reeds enkele maanden later, kon Hudson opnieuw een opdracht voor een expeditiereis voor een noordwestelijke doorgangsroute naar het Verre Oosten in de wacht slepen; dit maal van dezelfde Engelse opdrachtgevers, die ook zijn eerste twee ontdekkingsreizen hadden gefinancierd, de Muscovy Company. Deze reis zou hem noodlottig worden: op 22 juni 1611 werd hij met enkele vertrouwelingen door de muitende bemanning in een sloep van boord gezet in de huidige Hudson Baai en sedertdien ontbreekt ieder spoor.

Het schip De Halve Maen werd pas in de zomer van 1610 door de Engelsen aan de VOC vrijgegeven; daarna is het jacht door de VOC op expeditie gestuurd naar Bantam en in december 1618 door de Engelsen verbrandt bij een aanval op Jacatra. Emanuel van Meteren, in die tijd Nederlands Consul te Londen, had aldaar toegang tot de kaarten, reisbeschrijvingen en logboeken van Hudson en hij publiceerde hierover in zijn 'Historie der Nederlanden'.

Sara Hinlopen en Cape Henlopen De VOC zelf was niet geïnteresseerd in de oostkust van Noord-Amerika, maar realiseerde zich dat het gebied goede commerciële mogelijkheden bood voor de bonthandel en speelde de informatie door aan enkele Amsterdamse bonthandelaren.

Een groep van Lutheraanse kooplieden onder leiding van Lambert van Tweenhuysen, de Tweenhuysen Compagnie, stuurde Adriaen Block, tezamen met Hendrick Christiaensen, in de jaren 1611 - 1614 op verschillende expeditie om er pelzen te kopen van indiaanse inboorlingen.

De kaart, die Adriaen Block in 1614 vervaardigt van het gebied, laat voor het eerst de naam Nieu Nederlandt (ook: Nova Belgica) zien. In het voorjaar van 1613 werd Block op zijn derde reis naar de Hudson Rivier verrast door een concurrent: schipper Hans Jorsz. Hontom bood, in opdracht van Thijs Volckertsz. Mossel, de indiaanse inboorlingen twee keer zoveel voor beverhuiden, als Adriaen Block. Mossel was lid van de Hans Claesz. Compagnie, die in handen was van Hans Claesz. en een vijftal andere Amsterdamse kooplieden.

In 1614 kwam een einde aan de concurrentiestrijd toen beide compagnieën fuseerden in de Verenigde Nieuw Nederland Compagnie. De nieuwe compagnie vroeg op 11 oktober 1614 het handelsprivilege aan bij de Staten-Generaal; dit wordt dan verleend voor een periode van drie jaar.

De eerste Nederlandse handelspost, Fort Nassau, wordt in 1615 nabij het huidige Albany aan de Hudson Rivier, toen Noort Rivier geheten (of ook wel Mauritius Rivier, genoemd naar Prins Maurits), gerealiseerd. De zuidelijke begrenzing van de concessie vormde de 37e breedtegraad, de Zuidt Rivier, het huidige Delaware River.

Op zijn vierde expeditie in 1613, verloor Adriaen Block zijn schip De Tijger doordat brand uitbrak tijdens zijn verblijf aan de kust van zuidelijk Manhattan. Block en zijn bemanning hebben ter plekke een kleiner schip, De Onrust, gebouwd en voeren daarmee de Hudson Rivier op naar het huidige Albany voor de bonthandel. In de jaren 1614 – 1616 voer het jacht De Onrust de Zuidt Rivier op om het in kaart te brengen. De Verenigde Nieuw Nederland Compagnie trachtte vervolgens eveneens de privileges te bemachtigen voor de 38e – 40e breedtegraad, maar verkreeg deze niet.

In 1620 voer Cornelis Jacobszn. Mey, gefinancierd door een zestal rijke kooplieden ¬– waarvan de twee belangrijkste waren Thijmen Jabobsz. Hinlopen en Samuel Godijn – met twee schepen, De Blijde Boodschap en De Bever, naar de Zuidt Rivier om pelzen te kopen. Dit leidde uiteraard tot een concurrentieconflict met de Verenigde Nieuw Nederland Compagnie, omdat beide nu de privileges probeerden te bemachtigen voor handel op de Zuidt Rivier. Het conflict werd aanhangig gemaakt te Amsterdam en pas op 23 december 1623 kwam er door een uitspraak een einde aan deze situatie.

Inmiddels was het privilege voor de handel op Nieuw Nederland op 3 juni 1621 overgegaan op de toen opgerichte Geoctroyeerde West-Indische Compagnie, de WIC. Cornelis Mey heeft de uiterste begrenzing van de Zuidt Rivier vernoemd naar zijn financier, Thijmen Hinlopen: Kaap Hinlopen, het huidige Cape Henlopen.

Om de staatkundige rechten op het gebied van Nieuw Nederland te bevestigen, werd door de WIC een kolonisatiepolitiek gevoerd. In mei 1624 kwamen de eerste 30 families op Noten Eylandt, het huidige Governors Island gelegen aan de kop van het huidige Manhattan, aan met het door de WIC gecharterde schip Nieu Nederlandt onder leiding van Cornelis Mey.

Deze groep landverhuizers - meest Walen, gevluchte Hugenoten en voormalige slaven - vormde de basis voor de geleidelijke kolonisatie van het gebied Nieu Nederlandt.

De jonge kolonie stond het eerste jaar van zijn bestaan onder leiding van Cornelis Mey, die namens de WIC de directie voerde over de provincie Nieu Nederlandt. Een groep van 18 gezinnen vestigde zich dat jaar in met het huidige Albany, toen Fort Oranje (nabij de eerdere factorij Fort Nassau). Pas een jaar later, in 1625, werd op Manhattan (bij Bowling Green, op de plek van het huidige US Custom House) het vestigwerk Fort Amsterdam gebouwd.

De WIC had in een ruil met goederen van een toenmalige waarde van 60 gulden van de lokale Lenape indianen grondrechten gekocht, hetgeen overigens door de nomadische Lenape stam waarschijnlijk als de verkrijging van jacht- en visrechten werd gezien. Groeiende schermutselingen met de in het dal van de Noordt Rivier (het huidige Hudson Valley) woonachtige Mohawk en Mohican stammen, leidde er toe dat de WIC besloot de betrokken kolonisten te verplaatsen naar de nabijheid van Fort Amsterdam; uit deze nederzetting is Nieuw Amsterdam ontstaan. Het huidige Wall Street markeert een van de vestingwallen, die overigens uit eenvoudige houten palissaden was opgetrokken. Op het veiliger Noten Eylandt werd een zaagmolen gebouwd.

Thijmen Hinlopen (1572 - 1637), één van de twee belangrijkste financiers van Cornelis Mey, was een puisant rijk geworden graankoopman, die handel dreef van het Balticum tot en met Genua en Portugal en eveneens bewindvoerder was bij de Noordsche Compagnie. Naar hem is eveneens de Hinlopen Straat bij Spitsbergen vernoemd.

De kleindochter van zijn broer, Sara Hinlopen (12 juni 1660 – 16 juni 1749), zou vanaf 1687 tot haar dood in 1749 in het huidige Museum Geelvinck Hinlopen Huis wonen. Haar eerste echtgenoot, Albert Geelvinck, werd in 1688 directeur van de Sociëteit van Suriname, een samenwerkingsverband tussen de Stad Amsterdam en de WIC.

Inmiddels was reeds bij de Vrede van Breda in 1667 de facto de kolonie Nieuw Nederland aan de Engeland overgedragen, nadat de Hertog van York al in augustus 1664 de toenmalige directeur-generaal, Peter Stuyvesant, door middel van een Engels vlooteskader gedwongen had het bestuur over de kolonie onder de Engelse jurisdictie te brengen.

Nieuw Amsterdam werd omgedoopt in New York, naar de Hertog van York, de broer van koning Karel II van Engeland. In 1673, tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672 - 1674) veroverde een Zeeuws eskader onder aanvoering van vice-admiraal Cornelis Evertsen de Jongste, bijgenaamd Keesje de Duivel, de kolonie terug en werd deze kortstondig omgedoopt in Nieuw Oranje (in 1672 was Stadhouder Willem III geēnstalleerd).

De Staten van Zeeland hebben nog een vergeefse poging gedaan de kolonie over te doen aan de Staten van Holland. Op 19 februari 1674 werd bij het Verdrag van Westminster de kolonie Nieu Nederlandt ook juridisch overgedragen aan de Engelsen, terwijl tegelijker tijd de kolonie Suriname formeel aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd toegewezen.

Een poging van de oud-Nieuw Amsterdammer Jacob Leisler om in 1689, na aanleiding van de bestijging van de Engelse troon door stadhouder Willem III, de kolonie alsnog voor Nederland terug te eisen door middel van een opstand, mislukte jammerlijk. Wel zijn de goede handelsbetrekkingen tussen Nederland en haar voormalige kolonie steeds in stand gebleven.

Bij het ontstaan van de Verenigde Staten in 1776 had de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zelfs een sterke voorbeeld functie. Tevens was de Republiek het eerste land dat de Verenigde Staten als soevereine staat accepteerde: de Amerikaanse onderhandelaar, John Adams, die later de tweede president van de Verenigde Staten zou worden, werd daarmee 's werelds eerste Amerikaanse ambassadeur. Hij was gevestigd aan de Keizersgracht 529, op een steenworp afstand van het koetshuis van het Geelvinck Hinlopen Huis aan de Keizersgracht 633 (de huidige publieksingang van het museum).

 
Het schip 'de Halve Maen'
 
 
 
 
 


     © 2009 Museum Geelvinck Amsterdam